In het artikel (uit: De Joodsche Prins) een korte beschrijving van het bakproces in de paasbroodfabriek ‘De Vlijt:
"De bereiding gaat ongeveer aldus: Het deeg wordt door speciaal daartoe vervaardigde machines bereid, nadat het hiervoor te bezigen meel machinaal is gezeefd. Daarna wordt het deeg geplet (vakterm: gebraakt), waarna het in eene langwerpige vormmachine wordt gebracht, die verschillende functiën gelijktijdig verricht. Deze vormmachine brengt de matze op elke gewenschte dikte, brengt er de gaatje sin aan, benevens de naam der firma en geleidt haar in de oven, waarin zij zolang als dit voor de verschillende formaten noodig is, circuleert. Is de matze goed doorbakken, dan werpt de oven haar uit op een transporteur, waar zij de gelegenheid heeft tot afkoelen, waarna zij in doozen wordt verpakt. De geheele bereidingswijze maakt een bijzonder aangenamen indruk en brengt matzes voort, die aan de hoogste eischen van hygiëne en smaak voldoen."
Tekst, zie onderschrift. Bron: De Joodsche Prins van 3 april 1913 Tekst, zie onderschrift. Bron: De Joodsche Prins van 3 april 1913
De naam van de firma die ik hiervoor noemde, De Vlijt, blijkt dezelfde (of anders wel zeer sterk verbonden) te zijn als de firma A.I. de Haan & Co. Dit bleek niet direct uit de tekst in De Joodsche Prins, maar wel uit enkele advertenties die ik heb gevonden. Advertentie uit het Algemeen Handelsblad van 21-12-1889 (via delpher).
In 1923 worden de namen ‘De Vlijt’ en ‘A.I. de Haan’ in een naam genoemd in een kort artikel in het NIW (13 april 1923) over: ‘Joodsch Paaschbrood’. Overigens geeft het NIW aan dat genoemd artikel gebaseerd op een artikel uit het N.R.C. van 1 april 1923. Maar het in één naam noemen is niet echt een bewijs. Gelukkig is er een kort artikel uit 1921 (De Telegraaf van 30 maart 1921). Het artikel gaat over de Commissie die onderzoek heeft gedaan naar de prijzen van de matzes. Het rapport werd besproken in de Kerkenraad van de Nederlands Isr. Hoofdsynagoge: “Het debat werd geopend door den heer De Haan, eigenaar der groote Matzesfabriek “de Vlijt", die als lid van den Kerkenraad te kennen gaf niet voldaan te zijn over de houding der Commissie.” Tekst, zie onderschrift. Bron: De Joodsche Prins van 3 april 1913
NAAR: DEEL 3