Rob Renoult (bedrijfsleider) over Paradiso 50 jaar

Paradiso
Rob Renoult en Ice T

Rob Renoult en Ice T

‘Zonder de artiesten zouden wij geen werk hebben.’
Als heel jong gastje kwam bedrijfsleider Rob Renoult al in het net geopende Paradiso. Niet voor de muziek. ‘Dat was in 1970 en ik was 15. Ik kwam daar om m’n stuff te kopen,’ verklaart Rob zonder omwegen. ‘Uitgaan deed ik niet in Paradiso maar op “het plein” [Leidseplein] bij clubs als Lucky Star en Club 67. Dat waren meer tenten die over de soul gingen. Paradiso was hippiemuziek in die tijd.’

Soulkicker strak in het pak met lakschoenen
Rob was wat ze in die tijd een soulkicker noemden. Otis Redding en Marvin Gaye, dat waren zijn helden. ‘In Paradiso zat ergens bovenin een dj die hippiemuziek draaide, terwijl de bezoekers maar wat lagen te luisteren,’ schildert hij het beeld van toen. ‘Waar nu de kantoren zijn, daar hing een peertje. In het schijnsel lagen die hippies daaronder te trippen. Daar kwam ik dus niet voor. Ik kwam daar om mijn drugs te kopen, heel goede schimmel-Afghaan, Libanon, Maroc. Jahaa, dát waren nog eens tijden.’

Redbone in Paradiso
Zijn eerste concert on Paradiso was van de indianenband Redbone, die in 1972 de wereldhit Wounded Knee scoorden. ‘Die show was nog voor die hit. Ze hadden pas een hitje gehad toen, Maggie [1970]. Dat nummer brachten ze ook ten gehore,’ lepelt hij zo uit zijn geheugen op. ‘Ik was met een vriend. We vonden Paradiso maar een beetje viezig. We bleven ook maar kort, want wij moesten nog uitgaan op het plein. Wij droegen pakken en glimmende schoenen. Wij gingen nog dansen op die soulplaatjes. Dan moest je wel een beetje netjes gekleed gaan. Na die tijd heb ik wel mijn haar laten groeien, heel lang.’

Groningen
Vanaf 1974 vertonen zijn Paradisobezoeken een klein hiaat. Hij woonde een aantal jaren in Groningen, waar hij op de kunstacademie zat. Voor hem was ‘Grun’ in die tijd the happening city. ‘De hele muziekscene zat daar in Groningen: Herman Brood & His Wild Romance, Phoney & The Hardcore, The Meteors… Je kon The Ramones daar ook gaan zien. Alle grote acts kwamen ook in Groningen.’

Concerten als specialisme
In februari 1980 was hij weer terug in Amsterdam. Terugblikkend: ‘Ik was klaar met die academie, in de zin van dat ik er helemaal genoeg van had. Ik heb daar leren schilderen. En dat doe ik tot op de dag van vandaag nog steeds. Ik beschouw mijn werk in Paradiso als een manier om geld te verdienen.’ De kunstschilder werkt in Paradiso sinds 1997, meteen al in zijn huidige rol van bedrijfsleider. ‘We zijn met z’n zessen. Ieder heeft zo zijn eigen taak, bijvoorbeeld verantwoordelijkheid voor de horeca, de beveiliging of de automatisering. Ik ben gespecialiseerd in… niks…’ onthult hij. ‘Ik heb mijn baan in tweeën geknipt en werk nog maar twintig uur. Ik doe vooral concerten. Ik vergader ook wel. Maar mijn rol is toch meer op de vloer staan en de concerten doen.’

Bedrijfsleider en kunstschilder
Twee avonden in de week kun je Rob aantreffen in Paradiso, terwijl zijn werkweek verder nog één vergaderdag telt. Voor de rest is hij aan het schilderen. Dat hebben we eerder gezien in deze serie blogs over Paradiso 50 jaar: Rob is het zoveelste bewijs dat veel werknemers van Paradiso creatief zijn. ‘Ik schilder vooral over wie ik ben,’ omschrijft hij cryptisch, om het meteen te verduidelijken. ‘Die gaan over mijn plek in de samenleving. Ik ben geen Nederlander, geen blanke. Ik ben een Indonesische jongen. De beeldtaal die ik gebruik refereert daaraan. Ik vind het gewoon heel fijn om te schilderen. Een half jaar geleden had ik een grote expositie in Jakarta. Mijn werk viel daar helemaal op zijn plek.’

Otis was het keerpunt
Als Indonesische jongen staat hij natuurlijk dichtbij de oorsprong van de Nederlandse popmuziek, die in de Indorock lag, bij The Tielman Brothers. Voelt hij dat ook zo? ‘Bij mij thuis draaiden ze vroeger veel jazzy dingen, maar vooral country & western, Jim Reeves, Skeeter Davis en Hank Williams. Ray Charles had toen ook een soort countryalbum gemaakt.’ Zijn smaak kreeg een totaal andere wending toen hij op zijn negende naar Suriname is verhuisd. ‘Dat was in 1965. We zaten eerst in een pension om wat tijd te overbruggen tot we in ons eigen huis zouden gaan wonen. Ik hoorde in dat pension uit een kamer muziek komen die mijn aandacht trok. Ik was al van The Beatles, Cliff Richard en Elvis. Maar dit was iets wat ik nog niet kende. In dat kamertje zat een jongen met een platenhoes in zijn hand. Op tafel stond zo’n koffergrammofoontje met een boxje. Wat hij draaide bleek Otis Redding te zijn. Dat moment heeft mijn smaak totaal veranderd. Dat was een keerpunt in mijn leven.’ Otis bracht serieus redding.

D’Angelo als hoogtepunt
Een toekomstige soulkicker vond zo zijn missie. Geen wonder dat de twee concerten van D’Angelo in maart 2015 tot zijn favoriete Paradisoshows zijn gaan behoren. En de man komt weer in het jubileumjaar, op 25 juni om precies te zijn. ‘Dat was het beste wat ik ooit heb gezien. Prince ook gezien, maar D’Angelo was…  beter.’ Dat betekent niet dat hij louter soulacts aanwijst als hij zijn rijtje beste shows opnoemt: ‘The Black Crowes waren altijd goed. John Frusciante in de kleine zaal [2001] was ook heel mooi. Peven Everett heeft ook echt kunnen beklijven.’ James Brown heeft hij ook gezien in Paradiso (2006) maar helaas ‘toen hij al voorbij was.’ De swing was eruit. Die had hij graag jaren eerder willen meemaken. ‘Het was wel goed hoor, maar niet zo dat het je bij de ballen pakt. Dat gebeurt helaas niet meer zo vaak. Echt iets authentieks maak je ook nog maar zelden mee. Iedere muziek is een soort afgeleide van iets anders.’

Hoog bezoek van Ice T
Terwijl zo herinneringen worden opgehaald, moet hij ineens terugdenken aan de avond in 2000 dat rapper Ice T zomaar kwam binnenwandelen. ‘Er was die avond een hiphopprogramma met onder anderen Rahzel van The Roots, Pharoahe Monch en Common. Ineens kwam er een groepje donkere mannen aan. Ik dacht nog: welke voetballers zijn dat nou? Ineens wist ik het: dat is Ice T met zijn gevolg. Ze liepen gewoon door, langs de beveiliging. Ze gingen naar de kleedkamers. Ice T wilde komen optreden. Die andere drie vonden dat goed. En dan moet je je voorstellen: dat East Coast - West Coast was toen echt een ding. East Coast was wat relaxter. Ice T was West Coast. Toen hij opkwam explodeerde de zaal echt. Op een gegeven moment riep hij tegen het publiek dat ze het podium op moesten komen. “Get on Stage!” Al die kids gingen het podium op. Portier erbij, ik erbij. Er stond daar een dj set klaar en ik vreesde dat de dj moest gaan draaien zonder platen. Maar ineens riep Ice T dat iedereen weer van het podium moest. Dat gebeurde in no time, zonder enige aarzeling. Er bleef één jongen over. Die wilde aan de linkerkant stagedivend terug de zaal in. Maar hij werd door Common gevraagd dat vanuit het midden te komen doen. Ice T telde af en zei: “Jump!” Maar toen durfde die gast niet meer. Hij gleed heel langzaam van het podium af. Dat was zo zielig. Die is voor het leven getekend.’

Altijd aardig zijn voor artiesten
Dat zomaar aankomen waaien komt wel vaker voor. ‘Chris Robinson van The Black Crowes heeft weleens meegedaan met George Clinton. Hij was toch al in de stad, twee dagen voor zijn eigen show. Dus waarom niet? Wij vinden het altijd goed, dus als de hoofdact het goed vindt, dan mag het. Wij zijn ook altijd aardig tegen de artiesten. Zonder de artiesten zouden wij geen werk hebben. Van mij mogen ze alles. Ze zijn soms op heel lange tours, werken er keihard voor. Ik vind dat je dat moet steunen.’

Hij betrekt als bedrijfsleider ook het hooggeëerde publiek in zijn lof: ‘Band en publiek moeten een topavond hebben. Als iemand uit het publiek met een artiest op de foto wil, dan vraag ik dat eerst altijd even. Niet elke artiest wil dat, maar je moet het wel altijd even checken. Zo houd je iedereen tevreden.’

 

Tekst door: Robbert Tilli

Alle rechten voorbehouden

231 keer bekeken

Bekijk meer afbeeldingen

Rob Renoult en Joyce Kennedy van Mothers Finest

Rob Renoult en Joyce Kennedy van Mothers Finest

Geen reacties

Voeg je reactie toe