Kors Eijkelboom (muzikant, hoofd Productie) over Paradiso 50 jaar

Paradiso
Kors Eijkelboom

Kors Eijkelboom

‘Een life-changing effect’
Uitgerekend in 1968, toen Paradiso zijn deuren opende, is het tegenwoordige hoofd Productie Kors Eijkelboom als negenjarige jongen vanuit Amsterdam naar Dordrecht verhuisd. Zijn vader, die journalist was, kreeg daar een baan. Daar heb je weinig over in te brengen als kind. ‘Mijn moeder vond vijftig jaar geleden Amsterdam al te druk geworden. Toen al…’ Hij kan er smakelijk om lachen. ‘Zodra mijn zusje en ik de middelbare school afhadden wisten we niet hoe snel we weer terug moesten naar Amsterdam. Dat was op m’n zeventiende, in de zomer van 1977.’

The Clash als zijn Paradisodebuut
Kors, die in de hoofdstad ging studeren, viel dus met z’n neus middenin de punkgolf die net Paradiso had bereikt. Op 26 september van dat jaar maakte hij zijn Paradisodebuut als bezoeker. En hoe! Het was niet bij zomaar een concertje. ‘Mijn eerste keer was bij The Clash,’ klinkt het nog redelijk bescheiden voor zo’n getuigenis. We hebben vorig jaar zijn post op Facebook mogen zien, precies veertig jaar later. In diezelfde week van zijn eerste Paradisoshow had hij ook nog even leuk The Jam op zijn bezoekers-cv bijgeschreven. Je zal er maar bij zijn geweest! Jaloersmakend toch? ‘Die twee bands waren samen op tour geweest, The White Riot tour. Op een gegeven moment trokken ze allebei genoeg bezoekers om alleen verder te kunnen gaan. Vermoedelijk waren die bands ook niet zo compatible qua humeur. Ik kan me zoiets voorstellen. In ieder geval kwamen ze apart hier.’

‘Hé dat kan ik ook!’
Kors had op dat moment al diverse veel grotere shows gezien op andere plekken, zoals The Who. ‘Maar The Clash en The Jam, dat was voor het eerst dat iets zo dichtbij was en dat ook zoveel impact had, en ook zo direct was. Daarbij had het ook iets dat je dacht: “Hé dat kan ik ook!” Niet dat ik de ambitie had om muzikant te worden.’ Voor Kors had het een life-changing effect, zoals hij het nu betitelt. Paradiso zat al ‘een beetje in z’n genen’ want zijn overgrootvader die banketbakker was leverde aan de Vrije Gemeente, de eerste bewoner van het pand.

Incidentrijke start
Achteraf kun je stellen dat Kors op het juiste moment de muziek in is gelanceerd. ‘Niet alleen voor mij, ik denk ook voor Paradiso. Als [toenmalig directeur] Huib Schreurs punk niet zo had verwelkomd, had de geschiedenis er nu heel anders uitgezien. Ik weet niet of hij die muziek leuk vond, maar hij heeft het potentieel wel herkend.’ Niet alles was leuk toen, zegt Kors. Hij was erbij dat het uit de hand liep met Hells Angels bij 999 in 1978, een concert dat uitdraaide in een grote knokpartij met messen en kettingen. Hij heeft de zaal nog nooit zo snel zien leeglopen als die avond. ‘Het was echt heel bedreigend.’ Ook was hij ooggetuige toen Iggy Pop in badjas na zijn show in 1979 van diezelfde Angels zijn excuses aan het publiek moest maken, omdat hij ze stonede hippies had genoemd, hetgeen de motorduivels zich persoonlijk aantrokken. ‘Dat was niet beangstigend. Het was vooral een pijnlijk moment, voor Iggy dan. Laten we de dingen niet al te veel romantiseren. Ik ben blij dat zulke incidenten niet meer voorkomen.’

Voor lokale bands een zware thuiswedstrijd
Later werd Kors zelf muzikant, meer bepaald drummer, van onder anderen The Scene (1979), Blue Murder (midden jaren tachtig) en The Jack of Hearts (vooral jaren negentig). ‘Al die bands liepen min of meer naadloos in elkaar over,’ blikt hij terug. Met al die bands heeft hij diverse malen in Paradiso gestaan. ‘Paradiso doet iets met je,’ weet hij uit ervaring. ‘Je bent dan extra zenuwachtig. Toen hè, nu niet meer. Ik heb er een jaar geleden nog gespeeld met Eton Crop Groove Society. Ik heb op zo’n moment echt geen last meer van nervositeit. Maar destijds was het de overtreffende trap van de zenuwen. Met The Scene speelde ik in het voorprogramma van Mink DeVille... Je laat je  in de grote zaal ook gemakkelijk afleiden. Links en rechts staan mensen op de balkons, die je als het ware op de vingers kijken. Dat is echt iets van Paradiso. Voor Amsterdamse bands betekent dat een zware thuiswedstrijd.’

Geleidelijke professionaliseringsslag
Paradiso is inmiddels ook al jaren zijn werkgever. Kors: ‘Eerst sporadisch in de jaren tachtig als stage-hand. In de jaren negentig, toen Paradiso is gaan professionaliseren en contracten is gaan geven aan alle medewerkers, dus niet alleen de stafleden, toen ben ik regelmatiger gaan werken. In 1992 kreeg ik mijn contract. Ik werkte als oproepkracht. Die hele professionaliseringsslag is heel geleidelijk aan gebeurd. [Voormalig directeur] Pierre Ballings heeft daar een grote rol in heeft gespeeld. Het zwarte geld moest eruit. Dat maakte een organisatie als Paradiso veel te kwetsbaar. In de jaren zestig en zeventig, misschien de jaren tachtig ook nog wel, werden de officiële bezoekersaantallen zo laag mogelijk gehouden, om zo spending money te creëren.’ Volgens Kors heeft dat eraan bijgedragen dat Paradiso nu Abraham mag zien. Zou nooit gebeurd zijn in de oude stijl, is zijn rotsvaste overtuiging.

Paradiso en de Cruijffiaanse leer
Vanaf 2001 staat Kors niet alleen maar onder contract, maar is hij vast gaan werken als productieleider. Inmiddels is hij opgeklommen tot hoofd Productie. Paradiso lijkt de Cruijffiaanse leer aanhangig te zijn. Waar bij Ajax oud-voetballers het voor het zeggen hebben, daar vervullen (oud-)muzikanten die rol bij Paradiso. ‘Het is geen officieel beleid bij techniek en productie, maar je ziet het wel, ook onder de schoonmakers trouwens. Muzikanten begrijpen gewoon goed wat precies de bedoeling is.’

Waarheden en onwaarheden over lastige producties
Wat kan hij zeggen over producties? Zitten er lastige klanten tussen onder de artiesten? Kors oordeelt tamelijk mild: ‘Beginnende bands en gearriveerde bands zijn allebei heel gemakkelijk om verschillende redenen. Bij de eerste groep is het de nieuwigheid die ze rustig houdt, bij de andere groep is het juist de ervaring die ervoor zorgt dat ze zich nergens meer druk om maken. Twee uitverkochte shows van Bløf zijn goed voor maar twee mailtjes. Dat is gewoon een strak georganiseerde band. Natuurlijk zijn er ook grote namen bij die wel 100 mails sturen, voor elk detail een.’ Wie dat zijn, houdt hij liever voor zichzelf onder het mom van what happens backstage, stays backstage. ‘Ik houd me liever zelfs geheel afzijdig van het backstage gebeuren’

Soms gebeuren op de dag van de show dingen die leiden tot aanpassingen, zoals een last-minute plaatsing van barriers bij Public Image Ltd. omdat de situatie daarom vraagt. ‘John Lydon heeft natuurlijk een bepaalde geschiedenis, besef je dan. Daar kunnen ook gekken op afkomen. Hij heeft zelfs een bodyguard, een vriend van hem. Die noemt hij Rambo.’

Patti Smith heeft de naam nogal veeleisend te zijn. ‘Nee hoor,’ neemt Kors het op voor de punkdichteres. ‘Dat is in mijn beleving gewoon heel Amerikaans. Het moet gewoon strak. Als jij je werk goed doet en je zaakjes goed voor elkaar hebt, heb je een heel gemakkelijke aan haar. Zodra er iets gebeurd wat niet volgens de afspraken is, dan wordt het het tegenovergestelde. Het heeft allemaal te maken met een grote mate van professionaliteit. Ze wil ook niemand in haar kleedkamer hebben. Fans kunnen maar beter niet backstage gaan. “Het is heus niet zo’n big deal,” vertelde haar tourmanager me eens. “Het is alleen zo vervelend dat die mensen dan totaal verrot worden gescholden.”…’ Je kunt op zo’n moment ook maar beter niet met haar in discussie gaan. Ze weet alles beter, tot in de kleinste details toe. ‘Ze is heel to the point. Ze doet niet haar best om aardig te zijn. Dat neemt me wel voor haar in,’ verdedigt Kors haar. ‘Je ziet dat wel vaker. Artiesten zitten dan middenin hun concentratiemoment. Aardig zijn is dan niet hun eerste prioritiet. Het uiteindelijke doel is een goede show neer te zetten voor die 1500 man die een kaartje hebben gekocht. Dat zit er zo in bij de echte professionals zo diep in.’

 

Topshows

Prince
Aan welke shows bewaart Kors de beste herinneringen. ‘Dat wordt een cliché. Dan kom je toch uit bij de Stones en bij Prince in 1995,’ zegt hij zonder enige aarzeling. ‘Bij Prince waren het die aftershows. Die waren fenomenaal. Daar kon je alleen met open mond naar kijken. Zo goed gespeeld en tegelijk ook zo los en leuk. Het publiek was hysterisch. Ik heb zelfs nog iemand op het balkon aan zijn broekriem moeten vasthouden, dat hij niet naar beneden sprong ergens halverwege de zaal. De ramp zou niet te overzien zijn geweest.’

Het was geen Prince-productie in de strikte zin des woords. ‘Nee, het was backline neerzetten en gaan. Dat maakte het extra leuk voor Paradiso. Het was gewoon ons licht, ons geluid,’ bevestigt Kors. ‘Security was er niet, althans niet echt zichtbaar. Ze waren er natuurlijk wel, zo’n heel team van Nation of Islam met van die vlinderdasjes. Er was geen barrier. Je zou Prince hebben kunnen aanraken, maar dat deed of durfde niemand.’

De Stones
Bij de Stones in Paradiso was het het tegenovergestelde, herinnert Kors zich. ‘Dat was een totale take-over van het gebouw, haast een militaire operatie. Alles in de zaal moest eruit in de dagen ervoor. Het was een volledig eigen Stones-productie. De coffeeshop was hun opslag. Daar is ook de hoesfoto van Stripped gemaakt onder zo’n boogje. Er was een opbouwdag. Dat doen we anders nooit. Er was ook een camerarepetitiedag. We mochten van een van hun mensen met twintig man achter in de zaal op het balkon blijven om te kijken, als we maar niet reageerden, klapten of geluid maakten. Zo hadden we een privé concert van de Stones. Dat was natuurlijk het waanzinnigste om mee te maken. Wie maakt zoiets nou mee?’ Het is een retorische vraag. Kors duikt intussen verder in zijn geheugen.

‘Toen Keith Richards opkwam, ging hij eerst even op zijn hoofd staan, een yogaoefening. Dat verwacht je ook niet bij hem. Ze waren ook echt aan het oefenen. Ze oefenden Spider And The Fly, wat ze al heel lang niet gespeeld hadden. Keith moest aan Ron Wood vragen hoe de akkoorden ook alweer waren. Dat vond ik het mooist om te zien: hoe een stadionact gewoon weer een bandje was. Het rammelde aan alle kanten. Het was echt geweldig. Ook mooi om te zien was dat Mick Jagger total control is. Na die repetitie, eerder video-opnames, die pas vorig jaar zijn uitgekomen als die Totally Stripped DVD box, bleef Mick nog even staan als enige. Hij liet licht en geluid bij zich komen om door te nemen wat nog verbeterd kon worden. Hij is echt degene die alles onder controle heeft. Dat vind ik altijd zo’n mooi ding, dat je alleen ziet bij de grote namen: dat zijn echt allemaal bandleiders. Dat zijn echt geen puppets of zo.’

Superprof Patti Smith
Jaren later bij Patti Smith in De Duif (2011) had hij diezelfde ervaring bij een repetitie. ‘De band was wat aan het pielen. Het klonk echt helemaal nergens naar. Zij kwam een half uur later binnen. En het was meteen taaaaak. Iedereen ging strak spelen, het klonk goed. Ze liep dan net als Jagger het hele rijtje af, om de zaken door te nemen zo van: ”Jij doet dit, jij dat.” Ze ziet er dan wel uit als een oude heks die het niet meer op een rijtje heeft. Nou echt wel! Ze is juist heel erg in charge. De grote namen weten heel goed waar ze mee bezig zijn.’

Aan Patti Smith bewaart Kors nog een dierbare herinnering. ‘In november 2005 speelde Patti Smith tijdens een High Times avond in de Melkweg. Ze knoopte er een drietal last-minute akoestische optredens aan vast, samen met Lenny Kaye en een tweede gitarist, in Maloe Melo, het Van Gogh Museum, en in de bovenzaal van Paradiso ("I can't leave Amsterdam without playing the Paradisio"). Ik had mijn toen vijfjarige dochter meegenomen naar de show in de kleine zaal - na afloop liepen we Patti tegen het lijf op de trappen van Paradiso en dochterlief kreeg van Patti de roos die zij op haar beurt zojuist van een fan had gekregen. De roos heeft jarenlang aan de muur gehangen in m'n dochters kamer.

‘Tijdens de show manifesteerde de magie van Patti Smith zich maar weer eens: mijn dochter zat op mijn schouders tijdens People Have The Power - wie schetste mijn verbazing toen ze tijdens het tweede refrein met gebald vuistje luidkeels zat te zingen, "People have the power”…, ze was vijf, sprak nog geen Engels, wist niet wie Patti Smith was en had het nummer nooit eerder gehoord. "Patti Smith bewitches audiences" - het is gewoon waar!’

Tekst door: Robbert Tilli

Alle rechten voorbehouden

205 keer bekeken